Henk Harmsen
       
Glas-in-lood


henkdaaf


Het viel niet mee om een afspraak te maken, maar uiteindelijk zitten we dan toch op de eerste maandagmorgen van Henks vakantie ontspannen bij elkaar en zoeken we samen naar een beginnetje.

Voor de meeste NPB'ers ben je de man van de verhalen en de liederen.
Wat bezielt jou eigenlijk als verhalenschrijver?

Schrijven begint voor mij met gaan zitten. Ik ga vaak uit van iets dat al bestaat. Schrijvers van oude verhalen, ook bijbelverhalen, hebben van die kosmische elementen die me raken. Neem nou zo'n verhaal van Veger en Rooie, over Jakob en Ezau. Ik stel me voor dat ik Jakob ben, maar ook dat ik Ezau ben. En dan denk ik: dit is me overkomen - hoe vertel ik dat? Zo ontstaan er eigenlijk twee verhalen. Of eigenlijk meer. Want een luisteraar hoort vaak weer wat anders dan ik denk te zeggen.

Je schrijft dus voor mensen die het bijbelverhaal kennen.
Toch niet alleen! Toen ik dat verhaal van Veger en Rooie voor het eerst vertelde in het NPB-huis, zei iemand na afloop: Wat een mooi verhaal. Heb je dat zelf bedacht? Hij bleek niet te zijn opgegroeid met de bijbelse verhalen, maar voelde haarscherp aan dat dit verhaal iets te maken had met zijn eigen leven. Er is een oud verhaal over een rabbi die een hele groep mensen heeft toegesproken; na afloop heeft iedereen het gevoel dat hijzelf de aangesproken persoon was. Dat wil ik ook graag.

Wat is je eigen lievelingsverhaal uit jouw serie?
Dat wisselt. Maar ik heb toch wel een bijzondere band met god in het gekkenhuis. Ook om de titel, ja, maar vooral om de combinatie van lach en traan. De humoristische trekjes houden het verhaal lichtvoetig, maar zelf schiet ik steeds weer vol als Eva aan god-met-een-kleine-letter vraagt: "Waar was je toen jouw kinderen in de oven werden gestopt?"

De verschrikkingen van de wereldoorlog hebben een enorme indruk op jou gemaakt. Toch ben je bijna vijftien jaar ná de oorlog geboren. Wanneer is die belangstelling ontstaan?
Ik was een jaar of dertien toen ik een fotoboek in handen kreeg over de holocaust. Die foto's grepen me aan, maar de reactie van sommige christenen dat al die ellende een straf van God zou zijn… daar knapte ik helemaal op af.
Nee, dat kwam niet door mijn ouders; die waren niet zo. Zij waren kerkelijk, maar zaten, zeg maar, in het middenschip van de hervormde kerk. Mijn vader wilde bijvoorbeeld wel graag dat ik naar catechisatie ging, maar had er begrip voor dat ik het niet langer volhield dan één keer. 'Je komt al vaak genoeg in de kerk,' zei hij. Dat was ook zo: meestal drie keer per zondag! Ik was vanaf mijn veertiende namelijk organist bij de gereformeerden, bij de hervormden en bij de katholieken.
Met sommige preken had ik wel moeite. Ik heb een keer na zo'n saaie en nietszeggende verhandeling alle registers opengezet en toen mijn armen breeduit op het klavier gelegd. Toen alle lucht eruit was, heb ik met één vinger psalm 130 gespeeld: Uit diepten van ellende. Ik heb er nooit iets over gehoord. Misschien vonden ze het wel mooi…
Ik heb wel vaak aanvaringen met dominees en kerkenraden gehad, dat ging meestal over popliedjes die ik tijdens de dienst, of er voor of erna speelde. Ik had in Almelo Killing me softly gespeeld. In dat lied hoort een meisje dat een jongen een prachtige song heeft. Ze heeft er alles voor over om die te horen. Een heel bijbelse gedachte, vond ik, maar de kerkenraad dacht daar anders over.
In mijn geboortedorp Hellendoorn kon de kerkenraad meer verdragen. Hellendoorn is vanoudsher dan ook vrijzinnig. Daar mocht ik als zestienjarige zelfs samen met een groep van ruim tien leeftijdsgenoten een koffiebar oprichten, die we 'Glas' noemden. De groep bestond uit jongeren met de meest uiteenlopende opvattingen. Maar we respecteerden elkaar. We vergeleken dat met een glas-in-lood-raam, waardoor je naar buiten kijkt. Je kijkt allemaal naar dezelfde werkelijkheid en toch ziet iedereen iets anders. Dat vind ik nog steeds een mooi beeld.

(Jan B. Veerbeek)


Meer weten over Henk Harmsen? Lees het interview op de liedjessite.