Bij de brandende braamstruik.
verteld in het NPB-huis Veenendaal op 16 maart 2008
door Henk Harmsen
Er was eens een herder, hij heette Mozes en hij liet zijn
schapen grazen in de woestijn. Waarom in de woestijn en
niet op grazige weiden, doet hier even niet ter zake. Op
een mooie dag zag Mozes in de verte een brandende
bramstruik. Niets bijzonder, ware het niet dat het leek
alsof de struik maar niet verteerde. Mozes wilde er het
zijne van weten. Terwijl zijn schapen driftig op zoek
bleven naar een stukje eetbaar groen, kuierde hij op zijn
gemak naar het kleine spektakel. Toen hij heel dicht bij
was, klonk er een luide stem: ‘Schoenen uit, jongen, ik heb
net geboend.’ Dat was te zien, het was heel proper en
netjes rondom de brandende braamstruik. Terwijl Mozes zijn
schoenen uitdeed vroeg hij: ‘Met wie heb ik het genoegen?’
‘Ik kan je mijn naam niet noemen, want dan zou je het niet
begrijpen’, zei de stem.
‘Je zou het kunnen proberen’.
‘Okay. Wat vind je van mijn telefooncel?’, vroeg de stem.
‘Telefooncel?’
‘Ja, dat ding waar je naar zit te kijken’, zei de stem.
‘Dat is een brandende braamstruik’, zei Mozes verwonderd.
‘Dat bedoel ik nou’, zei de stem, ‘Ik zeg je dat het een
telefooncel is, maar jij weet niet wat een telefooncel is
en daarom zeg je dat het een brandende braamstruik is. Zo
gaat het ook als ik je mijn naam zeg: je zou het niet
begrijpen. Maar ik zal het voor je vertalen. Als een
telefooncel voor jou een brandende braamstruik is, dan stel
ik mij zelf voor aan jou als ... God’.
‘Welke God?’, vroeg Mozes. ‘Die van Abraham, of die van
Izaak of die van Jakob?’
‘Laten we zeggen’, zei de stem, ‘voor het gemak: van
allemaal’.
‘O’, zei Mozes, ‘en wat is dat met die brandende
braamstruik?’
‘Als je daar midden in gaat staan en de hoorn opneemt
kunnen we met elkaar praten’
‘Ik dacht dat we al met elkaar praatten’.
‘Ja, maar dit is mobiel, dat is veel te kostbaar. Ga nou
maar in de telefooncel, ik bedoel de brandende
braamstruik.’
Mozes had inmiddels zijn schoenen uit en liep voorzichtig
op de braamstruik af. Het schitterde verblindend in de zon.
‘Daar is een deur’, zei God.
Mozes ging naar binnen. Het was enorm heet en hij
verwonderde zich zeer, want hij verbrandde niet.
Na enige uitleg nam hij de hoorn van de haak.
‘Wacht even’, zei God, ‘Wat was ook al weer mijn nummer?
Shit! Dat komt, ik gebruik het zelf nooit, weet je. Was het
666... nee, dat is van dingetje daar beneden, ehm. Oh ja.
026. Ja, goed zo. Ik hoor de telefoon hier overgaan. Wacht
even, ik verbreek nu de mobiele verbinding.’
Even later hoorde Mozes God door de hoorn.
‘Fijn dat je even belt Mozes’.
‘Geen probleem’, zei Mozes, ‘ik was toch in de buurt’.
‘Punt is’, zei God, ‘Ik krijg nogal wat noodoproepen binnen
van jouw mensen, de Israëlieten. Het gaat niet zo best met
hen. Onderdrukt door ene Farao. Ik wilde daar maar eens een
einde aanmaken en jij, Mozes, mag ze dat gaan vertellen. Ik
maak ze allemaal vrij en dan gaan we met zijn allen naar
mooi land om daar in vrede en vrijheid met elkaar te wonen.
Nou wat denk je er van.’
‘Dacht het niet, God.’, antwoordde Mozes, ‘Ik ben een
gewone herder. Ik kan geen volk toespreken.’
De telefoon kraakte. Eventjes later hoorde Mozes een
hemelse stem die zei: ‘De verbinding is verbroken. U wordt
verzocht het nummer opnieuw te draaien’.
Inmiddels was God in zijn hemels paleis druk in overleg met
aartsengel Gabriël.
‘Dat zal nog een hele toer worden.’, sprak de engel, ‘Als
dit volgens jou al de slimste is, dan wordt dat nog wat met
de rest. Laten we je plan eens even doornemen’.
‘Plan?’, vroeg God.
‘Ja, het bevrijdingsplan’, zei Gabriël. ‘Hoe ga je het
aanpakken? Hoe krijg je die mensen weg uit Egypte. Wat ga
je dan doen? Ze zullen de woestijn in moeten, maar daar
kunnen ze ook niet blijven. Dus hoe dacht je het allemaal
te organiseren?’
‘Gewoon’, zei God, ‘Een beetje improviseren. Eerst maar
eens netjes vragen aan die Farao en als dat niet lukt dan
lijkt mij geweld geoorloofd’.
Gabriël keek hem zwijgend aan.
‘En dan’, ging God verder, ‘dan gaan we op zoek naar een of
ander land’.
‘En dat wordt?’, vroeg Gabriël zacht.
‘Tja’, God krabde zich achter de oren, ‘wat is er zoal in
de aanbieding?’.
‘Niks’, zei Gabriël, ‘alles is al bezet of onbewoonbaar’.
‘En Kanaän dan’, probeerde God.
‘Daar wonen de Palestijnen’.
‘Hmm, en is daar niet plaats genoeg?’
Gabriël keek op zijn computerscherm. ‘Tja, je hebt er nog
wat moerassen en wat steppenland waar je wel wat mee zou
kunnen.’
‘Mooi, dat is dan geregeld’, zei God.
‘En als de Palestijnen niet willen?’, vroeg Gabriël.
God dacht na.
‘Hoe heet die God van Kanaän eigenlijk’, vroeg hij.
‘Eens even kijken.’ Gabriël tuurde op zijn scherm. ‘Ah,
hier staat ... maar ik weet niet hoe je het uit moet
spreken ... Jé-Há-Wé-Há.’
‘Mooi’ zei God, ‘heb ik gelijk een naam die ik kan
communiceren met die Mozes. Als hij en zijn volk dan in
Kanaän aankomen en ze komen tot de ontdekking dat zij de
zelfde God hebben als de Palestijnen, nou dan komt alles
vast wel goed’.
‘Wat ga je die Mozes vertellen wat die naam betekent?’
‘Nou zoiets als: ik ben die ik ben’.
‘Maar dat is een hele ander werkwoord, met hele andere
letters’, protesteerde Gabriël.
De telefoon ging weer over.
‘Luister’, zei God ongeduldig, ‘het is een herder, hij kan
niet eens lezen.’
‘Dat betwijfel ik.’, zuchtte Gabriël, ‘Hij is opgeleid aan
het Egyptische hof’.
De telefoon rinkelde ongeduldig.
‘Goed punt’, zei God. ‘Daar improviseer ik nog wel wat’.
Hij nam de hoorn op. ‘Ja beste man, ik ben het weer. Wat
zeg je? Ja, het komt af en toe voor dat de verbinding
wegvalt’.
Mozes hoorde het plan van God aan.
‘Kanaän dus’, zei hij. ‘Dan moeten we met het hele volk
dwars door de woestijn. We zullen allemaal omkomen, zo
zonder water en zonder eten.’
‘Ik zorg voor levend water en hemels brood’, verzekerde God
hem.
‘Dus ik neem mijn broer mee en ga naar de Farao.’, vatte
Mozes het gesprek samen, ‘Maar hoe blijven we met jou in
contact? Heb je soms nog meer telefooncellen her en der
staan?’
‘Nee, neem maar die twee mobieltjes mee’, zei God. ‘Dat is
makkelijker’.
‘Mobieltjes?’, Mozes keek om zich heen ‘Je bedoelt die
stenen tafelen daar?’
‘Om mijn part.’, zuchtte God, ‘Als je er maar voorzichtig
mee doet en er niet mee gaat smijten, ze zijn nogal
breekbaar’. Toen legde hij de hoorn op de haak.
‘Ik heb nog eens zitten kijken’ zei Gabriël die zijn scherm
nog steeds nauwkeurig bestudeerde ‘Heb je er rekening mee
gehouden dat er een enorme zee op hun route ligt?’.
God liep vermoeid naar de deur.
“Ga je mee naar buiten voor een rookoffer?” vroeg hij.
‘Nee”, zei Gabriël beslist, ‘Ik ben al een paar weken
gestopt’.



