Een
goed gesprek - Interview met Abraham.
Door Henk Harmsen
Verteld in het NPB-huis Veenendaal op 19 oktober 2008
Met dank aan Els de Roo
I: (tegen
het publiek) U kunt nu getuige zijn van een gesprek dat ik
mag voeren met Abraham. (tegen Abraham) Dag meneer Abraham.
Fijn dat u tijd vrij kon maken voor dit interview.
A: Geen enkel probleem hoor. Begint u maar met uw vragen.
I: Mijn eerste vraag is: is het waar dat u, toen u nog jong
was, een hele serie beelden hebt vernietigd?
A: Ah, u bedoelt mijn persoonlijke Beeldenstorm. Dat
verhaal heeft u niet uit de bijbel, maar uit een joodse
legende. Allemaal een beetje opgeklopt. Het zat eigenlijk
zo. Ik was zo’n twintig jaar jong. Rebels, zoals de meesten
van mijn leeftijdsgenoten. Opstandig tegenover mijn ouders
die een winkel in godsbeeldjes hadden. Ik was op die
leeftijd helemaal van welke god dan ook los en vond het
belachelijk dat mijn ouders profiteerden van de domheid van
andere mensen.
I: Legt u dat eens uit.
A: Nou ik bedoel, mensen die in de werking van die
godsbeeldjes geloven. In plaats van eten voor zich en hun
kinderen te kopen, kopen ze een godsbeeldje en offeren
daaraan voedsel. Een verstandig mens kan en mag aan deze
praktijken eigenlijk niet meedoen. Dus die keer dat ik op
de winkel moest passen nam ik een bijl en sloeg al die
godsbeeldjes, op een groot beeld na, kort en klein. De bijl
legde ik bij het overgebleven beeld. Dat was natuurlijk de
jeugdige overmoed, de lol, de humor. Mijn vader was woedend
en verdacht mij direct. Ik had een sterk verhaal, ik zei:
er kwam iemand voedsel offeren en toen die man weer wegging
maakten de godsbeeldjes onderling ruzie. Toen heeft die
grote daar met een bijl huisgehouden en dit is het
resultaat. Mijn vader geloofde er niets van. Ik herinner me
nu nog dat hij zei: ‘beelden kunnen toch niet praten en
zich bewegen’ en ik dacht bij mezelf: nou zeg je het zelf.
I: Hebt u daar nu spijt van?
A: Ja wat ik zei. Je bent jong, opstandig en denkt het
allemaal te weten. Maar de waarheid is niet zo makkelijk in
een bepaald hokje te drukken. Nu ik de 150 ben gepasseerd
heb ik meer iets van: iedereen moet het zelf ook maar
weten: mijn ouders als ze aan de domheid van andere mensen
willen verdienen en die andere mensen als ze zo dom willen
zijn. Iedereen heeft zijn eigen verantwoordelijkheid.
I: U bent nog altijd een tegenstanders van afgodsbeeldjes?
A: U noemt ze afgodbeeldjes. Ik noem ze godsbeeldjes. Ze
staan voor een bepaald beeld, een bepaald concept van het
goddelijke. Of het nu vruchtbaarheid is, rechtvaardigheid,
oorlog of vrede. Mensen zetten graag hun concepten vast,
geven het vervolgens een plaats en denken daarmee enige
greep op de werkelijkheid te krijgen.
I: Mag dat niet?
A: U mag van mij alles doen wat u wilt, u moet alleen niet
denken dat alles ook helpt.
I: U hebt het dus niet zo met deze ‘godsbeeldjes’, toch
hebt u het goddelijke in uw leven ook een vorm gegeven, zij
het dan in een onzichtbare persoonlijke god. Is dat
eigenlijk niet hetzelfde?
A: U baseert zich nu vooral op de bijbel. Daarin voer ik
heel veel gesprekken met een onzichtbare maar soms ook
zichtbare god. Vergeet niet dat ik in de bijbel god
verschillende malen ontmoet en hij mij zelfs ‘vriend’
noemt.
I: De bijbel klopt niet, wilt u zeggen.
A: Klopt niet, klopt niet... We komen op het terrein van
het onzegbare en dan is elk woord er eentje teveel. Laat ik
beginnen bij het begin. Toen ik vijftig was had ik alles
voor elkaar. Nou ja bijna alles: een goede baan, een
fantastische vrouw en een geweldig sociale omgeving. Mijn
vrouw en ik hadden geen kinderen, nee, maar mijn neefje Lot
was eigenlijk kind bij ons aan huis en ik zou het niet erg
gevonden hebben om alles later aan hem over te laten. Toch
knaagde er iets: ‘dit kan toch niet alles zijn?’ Huisje
boompje beestje en dit nog zo’n honderd jaar verder op deze
manier? Ik walgde eerlijk gezegd bij die gedachte. Ik sprak
er met veel mensen over, maar niemand begreep me echt.
Behalve mijn moeder. Op een dag terwijl we aan het praten
waren, zei ze: ‘jongen, je moet voor jezelf gaan, en niet
voor je vader of voor mij of voor wie dan ook’. Het was als
een donderslag bij heldere hemel. ‘Je moet voor jezelf
gaan’. Het echode nog geruime tijd na in mijn hoofd en het
veranderde mijn hele leven. Dat was, wat ik zou noemen,
goddelijke inspiratie. Tja, de redacteuren van de bijbel
konden niet veel met de uitspraak van een moeder en daar
hebben ze toen maar god geïntroduceerd.
I: Dus elke keer als we god tegenkomen in uw leven dan is
het eigenlijk uw moeder?
A: Nee, niet altijd mijn moeder. Soms is het een droom en
soms een onbekende, soms mijn vrouw en soms zelfs mijn
vijand en soms denk en doe ik maar wat. Je leert op een
gegeven moment, zal ik het zo zeggen, de stem van god te
onderscheiden.
I: Dan ben ik wel heel benieuwd hoe dat zat met het offeren
van uw zoon Isaac.
A: (knikt bewonderend) U gaat wel direct op uw doel af.
I: We hebben maar beperkt tijd. (kijkt in de zaal) De
mensen willen na het koffie drinken ook weer op tijd thuis
zijn.
A: Ik begrijp het. Wat vindt u zelf van het verhaal?
I: Ik? Verschrikkelijk. Het is een verhaal dat het volgens
mij bij zelfmoordterroristen heel goed doet.
Kadaverdiscipline door een stem uit de hemel. Als de stem
maar uit de hemel komt is alles namelijk geoorloofd: zelfs
het doden van een eigen kind. Ik zag laatst een
documentaire waarin een orthodoxe jood gevraagd werd wat
hij zou doen als een stem uit de hemel hem zou opdragen
zijn eigen kind te doden. Weet u wat hij zei? Hij zei dat
hij hoopte dat hij de kracht zou hebben om die opdracht dan
uit te voeren.
A: Inderdaad. Weerzinwekkend. Wat denkt ú dat er werkelijk
is gebeurd?
I: Geen idee. Ik lees de bijbel is dat niet genoeg?
A: Daarnet wist u overigens nog wel een mooie joodse
legende. Wie werd er eigenlijk geofferd volgens u?
I: (verbaasd) Wie stelt hier eigenlijk de vragen?
A: Op dit moment? Ik. U wilt iets te weten komen, u wilt
een antwoord, maar eigenlijk hebt u uw plaatje van wat er
gebeurd is al helemaal ingekleurd. U bent niet bereid om er
nog open naar te kijken!
I: Naar een bijna kindermoord?
A: (streng) Wilt u nu een antwoord of maakt het toch niet
uit wat ik zeg?
I: (stilte) Ik wil een antwoord.
A: Ok. Wie werd er eigenlijk geofferd?
I: Dat zei ik toch: Isaac.
A: U leest uw eigen bewijsstukken niet goed. Er werd een
ram geofferd.
I: (lacht) Ja, maar het was de bedoeling dat Isaac werd
geofferd!
A: Oh ja? Volgens de Koran moest Ismaël, mijn oudste zoon,
worden geofferd toen Isaac nog niet eens geboren was.
Volgens een joodse legende, waar u net nog uit citeerde, is
er helemaal geen ram en wordt Isaac wél geofferd, dan
krijgt Satan medelijden met mijn vrouw en wekt Isaac weer
tot leven. U ziet er is heel veel stof opgewaaid over dit
voorval. Laten we eens rustig wachten tot al dat stof gaat
liggen en laten we eens kijken wat we dan zien.
I: (stilte) Ik wacht.
A: (stilte) Ik hoop dat uw luisteraars nog even tijd
hebben. Om te beginnen moet u zich realiseren dat het
allemaal maar een verhaal is. Verhalen zijn niet bedoelt om
feiten weer te geven, maar juist dat wat áchter de feiten
zit, het onzegbare. Ben Okri schreef: verhalen zouden wel eens de
dialoog kunnen zijn van een verborgen godheid met de
menselijke ziel. Die godheid zou wel eens de god van al
onze verborgen en niet erkende waarheden kunnen zijn. Het
subversieve van het vertellen is een belangrijk onderdeel
van de transformatie van mensen naar hogere
mogelijkheden. Waar het in dit, ogenschijnlijk
gruwelijke, verhaal om gaat is ‘vertrouwen’. Geen
vertrouwen in een bovennatuurlijke god, maar vertrouwen in
het leven zoals het is. Dat is de basis van dit verhaal.
Dat er later de nodige en vooral onnodige aanvullingen op
zijn aangebracht doet aan de kern van het verhaal geen
afbreuk: Er moet een kind geofferd
worden. Zowel vader als zoon, ieders op hun eigen manier,
vertrouwen op het leven. Er zal worden voorzien, zegt de
vader en de zoon denkt, mijn vader zal daarin voorzien. Dat
is waar het verhaal omgaat. U wilt echter weten hoe het
zover heeft kunnen komen, omdat u de bijbel leest en daar
staat: God stelde Abraham op de proef. U wilt weten of ik
mijn zoon echt heb vast gebonden en of ik echt met een mes
klaar stond en of er echt een engel was. U begint aan het
verkeerde eind. U moet beginnen met de
basis – twee mensen onderweg - en dan is de volgende stap
in het verhaal dat er een ram vast zit in de struiken. Er
is voorzien, denkt de vader. Mijn vader heeft voorzien
denkt de zoon. Meer is het verhaal niet.
I: Het verhaal had dus ook anders kunnen lopen.
A: Precies! Dát is het uitgangspunt! Wat er op dat moment
gebeurt hangt van zoveel zaken af. Stel, er is geen ram.
Stel, de zoon heeft er geen vertrouwen in, of de vader. Dat
is waar het in dit verhaal en waar het eigenlijk in het
leven omgaat. Het gaat niet om de bovennatuurlijke
tussenkomst van een engel, dat is fantasieloos en gebeurt
alleen in Hollywoodfilms, maar het gaat om het vertrouwen
in het leven zelf: er zál worden
voorzien. Stel, u loopt over een drukke
straat en voor u het weet bent u in een gevecht gewikkeld
en iedereen kijkt toe. Hoe dat gevecht tot stand gekomen is
doet dan even niet ter zake. U bent aan het vechten. U hebt
er niet om gevraagd, maar u zit plotseling in die positie.
Het is er op of er onder. Hoeveel mensen worden niet
doodgeknuppeld midden op straat, terwijl iedereen toekijkt?
Dát is het verhaal, misschien is het wel uw verhaal. In
mijn verhaal kan ik u de echte omstandigheden schilderen
hoe en waarom dit allemaal heeft plaatsgevonden, maar het
zou meer een verdediging zijn tegen iets waar ik niets mee
te maken heb. (kijkt in de zaal) Uw luisteraars hebben daar
overigens ook geen tijd voor, want ze willen zo naar huis.
I: (onverstoorbaar) God komt niet voor in uw verhaal?
A: De god zoals de Bijbelschrijvers hem later hebben
ingevuld komt niet voor, nee.
I: Maar wat kunnen we er van leren?
A: (zucht) Laat eens een moment al uw denkbeelden los en
leef het leven elke seconde nieuw. Niemand kan u redden,
behalve u zelf. Bovendien valt er niets te redden: het is
allemaal zoals het is. Als er al een waarheid is, dan bent
u het zelf. Als er al een weg is, dan bent u dat ook zelf,
niemand kan u verlicht maken. U doet wat u moet doen. U
loopt uw weg met uw zoon en hoe groot de dreiging ook boven
u hangt, u weet: er zál worden voorzien. Op welke manier
dan ook. U loopt de weg, u houdt uw ogen open en u reageert
wel - of niet - op dat wat komt.
I: Hartelijk bedankt voor dit interview.
A: graag gedaan.


