De mestkever
door Henk Harmsen
verteld op 11 maart 2007 in het NPB-gebouw
I.
Toen de Grote Pottenbakker klaar was met het
scheppen van de aarde en van alle dieren ging hij uitrusten
en genieten van zijn werk. Na een paar dagen kroop er een
onaangename geur zijn werkkamer binnen en na een week was
de stank in het hele huis schier ondragelijk geworden.
Hij riep een bediende bij zich en vroeg: wat in mijn naam
is die verschrikkelijke geur? De bediende keek bedremmeld
en zei: o grote Pottenbakker, in uw wijsheid hebt u dieren
gemaakt die de uitwerpselen van de andere dieren moeten
eten, maar er gaat daar iets fout?
Wat gaat er fout, vroeg de Pottenbakker nors.
De bediende sprak zacht: o grote Pottenbakker, de vliegen
zitten liever op rottend vlees en de honden eten liever
hondenbrokken dan paardendrollen.
Hondenbrokken? De Pottenbakker fronste zijn voorhoofd. Kan
ik me niet herinneren ooit geschapen te hebben. Maar jij
wilt beweren dat de uitwerpselen niet meer worden opgeruimd
omdat men zich niet aan mijn plan wenst te houden.
De bediende boog diep.
Mmm, zei de Pottenbakker. Is er nog wat materiaal over,
waar we misschien nog iets van kunnen maken.
De bediende boog nog dieper: o Pottenbakker, alles is,
zoals u ons opgedragen hebt opgeruimd en vernietigd.
De Pottenbakker voelde in zijn zakken. Zijn gezicht klaarde
op.
Ik heb nog wat, lachte hij. Nu alleen nog hersens om het
geheel aan te sturen.
Hij wroette nog eens diep in zijn zak en haalde een
piepklein korreltje te voorschijn.
’t Is niet veel, maar hij hoeft ook niet veel te doen dan
slechts de poep op te ruimen.
En zo schiep de Pottenbakker de mestkever.
Al gauw was de onsmakelijke geur verdwenen en ging de
Pottenbakker over tot de orde van de dag en genoot van het
nietsdoen.
II.
Op een dag kwam de Ovenbrander op bezoek.
Ooit was hij een hechte compagnon van de Pottenbakker, maar
bij de schepping van de wereld was een ieder zijn eigen weg
gegaan.
De Pottenbakker liet de Ovenbrander vol trots zijn
schepping zien. De hoge bergen, de groene wouden, de blauwe
luchten en natuurlijk alles wat leeft: de leeuwen, de
olifanten, de vliegen, de mensen...
En, zei de Pottenbakker trots, na zijn rondleiding, alles
is in staat om tot verlichting te geraken. Alles wat leeft
kan op een hoger plan komen. Een geweldig concept!
Alles vroeg de Ovenbrander?
Alles! Zei de Pottenbakker, zeker van zich zelf.
Ik hoorde dat je een probleem had in de opstart fase? vroeg
de Ovenbrander.
De Pottenbakker dacht na. O dat... Dat is het noemen niet
waard. Direct opgelost, met dit mooie mestkevertje. Hij
wees in zijn schepping naar het kleine glanzende
zwart-paarse torretje.
Leuk diertje, stelde de Ovenbrander.
Leuk diertje, gaf de Pottenbakker toe.
Zeker ook tot verlichting in staat? Beetje weinig brains,
of niet?
De Ovenbrander keek de Pottenbakker schuin aan.
De Pottenbakker aarzelde.
Verlichting? Natuurlijk. Toen werd hij zeker van zich zelf.
Natuurlijk! Verlichting! Ik zal het je bewijzen.
En uit zijn machtige jas toverde de pottenbakker een kleine
spiegel en wierp die op de aarde. Hij bood zijn oude vriend
een stoel aan, schonk een drankje in en zei: kijk maar.
III.
Elke morgen als de mestkever wakker werd
liep hij met een sacherijnig gezicht door het bos op zoek
naar eten, speciaal eten dat wel: uitwerpselen van alles
wat maar leefde. Iedereen die de mestkever tegenkwam meed
hem. Enerzijds omdat hij zo humeurig was en anderzijds
omdat hij, nou ja, hij stonk. De mestkever was er blij om.
Niemand liep hem voor de voeten, niemand stelde vragen, en
dat was goed. Met zijn ochtendhumeur hield hij sowieso niet
van gezelschap. Zijn humeur klaarde pas een beetje op vanaf
het moment dat hij eten had gevonden en op zijn weg terug
naar huis zou hij best zin in een gesprekje hebben gehad,
maar alle dieren meden hem nu eenmaal en daar had hij zich
maar bij neer gelegd.
Op een dag liep de mestkever een ander beestje tegen het
lijf. Dat was een geheel nieuwe ervaring voor hem en de
mestkever aarzelde daarom wat hij moest doen. Na lang
dubben besloot hij zijn opponent links te passeren. Maar
net toen hij een stap zette deed het andere beestje dat
ook. Dan maar de andere kant, dacht de mestkever. Ook dat
lukte niet. De mestkever keek eens goed en zag dat het
beestje tegenover hem heel boos keek. Hij probeerde op zijn
beurt nog bozer terug te kijken, maar de ander keek daarop
nog weer bozer. Toen keerde de mestkever zich om en liep
weg.
De volgende ochtend was hij benieuwd of die humeurige kever
daar nog steeds was. Ja hoor. Het leek of het op hem had
zitten wachten. Weer lukte het niet het beestje te
passeren. Toen werd de mestkever boos nam een aanloopje en
sprong tegen de kever aan om hem op de rug te krijgen. Dat
was een oude mestkever gewoonte. Dat deed je met
opponenten, met concurrenten. Zijn aanval had tweeërlei
effect. Ja, de tegenstander lag op zijn rug, maar de
mestkever zelf lag ook op zijn rug.
Nu is het voor mestkevers niet prettig om op de rug te
spartelen. Onze mestkever had inmiddels door veel ervaring
wel geleerd hoe je heel snel weer overeind moest komen. Net
voordat hij op wou springen keek hij naar zijn tegenstander
en toen opeens kreeg hij medelijden. Hij stelde zich zo
maar voor dat hij daar lag en niet wist hoe om hoog te
komen. Hij herinnerde zich hoe hulpeloos hij de allereerste
keer op zijn rug had gelegen. Minuten, uren, bijna een dag.
Hij begreep dat als hij zou opstaan de ander aan hem
overgeleverd werd.
Voor hij wist wat hij zei riep hij tegen de ander: kijk
goed wat ik doe. Als je het nadoet sta je zo weer op je
poten. Kijk de buik intrekken en dan in één keer loslaten.
Daar stond hij weer op zijn poten. En ja hoor, de ander
stond ook op zijn poten.
Toen zag hij dat de ander niet langer boos keek, maar blij,
dankbaar zelfs. En de mestkever lachte naar de ander. En de
ander lachte terug. De mestkever voelde hoe het licht werd
in zijn hoofd. Hij boog als afscheid en de ander boog ook.
Onderweg sprak hij met de vliegen en torren en alles wat
hem langs de voeten voorbij krioelde Hij verwonderde zich
hoe prettig het was een gesprek met anderen te voeren. Hij
verontschuldigde zich voor zijn geur, maar iedereen wuifde
zijn verontschuldiging weg. Het was niet erg, niemand had
er last van en hoe fijn het was dat ze hem nu eens
gesproken hadden. ’s Avonds ging hij op zijn zij liggen
sloot zijn ogen en stierf.
IV.
De Ovenbrander was onder de indruk.
Niet slecht ouwe jongen, mompelde hij, niet slecht.
De Pottenbakker nam voorzichtig het dode diertje en blies
er zijn adem in.
De mestkever opende zijn ogen en glimlachte naar de
Pottenbakker en schudde zachtjes zijn hoofd.
Het is goed Pottenbakker, zei het zacht.
Toen loste het kevertje op in het niets.



