Varken vindt vuur
A Pentecost carol
Verteld en gezongen door Henk Harmsen in ht NPB-huis
Veenendaal
Pinksteren 2008
Om dit verhaal beter te kunnen begrijpen leest u eerst
‘Varken zoekt
verlichting’. In dat verhaal komen de
meeste personages uit deze fabel wat uitvoeriger aan
bod:
- Zuster Vos is een evangelisch,
zendingsbedrijvend, vol van pinkstervuur mededier
- Vrouwe Kat is een meer scientology-achtig personage
- Wolf is de echte vriend van Varken
- Meester Egel is een oude Zen-monnik. Bij hem begon de
zoektocht naar verlichting ooit en bij hem mag nu het
uiteindelijke vuur gaan branden.
I Uitgeblust
Voor het raam
Varken zit voor het raam en zucht.
Uitgeblust, is het woord dat steeds door zijn hoofd maalt.
Hij voelt zich slap en futloos. Uitgeblust, uitgeblust...
Voor zijn raam staan twaalf potjes met geraniums. Hij heeft
ze vorige week op zijn verjaardag van zijn kinderen
gekregen. Eén keer per jaar komen ze allemaal op
verjaardagsbezoek. De rest van het jaar druppelt er alleen
af en toe iemand binnen voor een vluchtig bezoekje. ‘Hoe
gaat het? Tot ziens!’
Sinds zijn lieve Zeugje nu alweer 5 jaar geleden is
overleden, is het erg stil geworden in het eens zo
levendige huis. Eenmaal in de week komt de trouwe buurvrouw
Hond de boodschappen brengen. Dan drinkt ze snel een kop
koffie met hem, veegt het ergste stof van de kasten en gaat
er dan weer vandoor. Zelf komt Varken zijn huis bijna niet
meer uit.
Uitgeblust is hij. Voor hem hoeft het allemaal ook niet
meer zo nodig. Als de Hemelse Slager hem morgen zou komen
halen, nee vandaag zelfs, dan zou hij niet protesteren.
uitgeblust
een vuur wat dooft
en zelfs niet smeult
maar ophoudt om nog vuur te zijn
waarmee zal ik dan ontbranden?
Buiten schijnt de zon. De puppies van de
buurvrouw dartelen vrolijk in het gras. Maar Varken ziet
het niet. Hij staart in de verte en zucht.
Als het begint te schemeren staat hij op van zijn stoel,
smeert een boterham maakt wat melk warm en gaat, met bord
en glas, weer voor het raam zitten.
‘Ach Zeugje van me’, mompelt hij, ‘wanneer kom je me
halen?’
Hij zucht en neemt een hapje van zijn boterham.
Als het donker is geworden is Varken, zoals gewoonlijk,
ingeslapen op zijn stoel voor het raam.
Zeugje
Midden in de nacht wordt hij wakker van een eigenaardig
licht in de kamer. Versuft staat hij op om de lamp uit te
doen en in bed te kruipen. Maar dan hoort hij een bekende
stem.
‘Beer, ouwe Beer van me’.
Varken schrikt. ‘Zeugje?’
‘Wat zie je er mismoedig uit, Beer’
‘Zeugje ben jij het? Ach vrouw, het leven is niks zonder
jou. Toen je van me wegging ging het vuur in mijn leven
uit. Uitgeblust, Zeugje. Uitgeblust!’
‘Arme Beer, van me. Je bent nog niet veel veranderd. Nog
steeds je ogen dicht? Dan zie je niet veel hoor, Beer.’
‘Kom je me halen? Is het eindelijk tijd voor mij?’, vraagt
Varken hoopvol.
‘Jou halen?’ lacht zijn vrouw, ‘Zie ik er uit als de
Hemelse Slager?’
Varken buigt het hoofd en zegt niets.
‘Ik ben hier om jou nog een kans te geven om het vuur, het
ware levensvuur, jouw vuur te vinden.’
‘Maar’, protesteert Varken, ‘jij was altijd het vuur dat
mijn hart deed ontbranden en nu je weg bent is er geen vuur
meer.’
‘Kom op beer’, vermant zijn vrouw hem, ‘niet zo zielig
doen! Vannacht ga je het vuur vinden. Denk eens na Beer,
hoe kan de Hemelse Slager je ooit vinden als je nu al
uiteblust bent.’
Varken schrikt. Zijn enige hoop in deze jaren is altijd
geweest dat er in ieder geval een einde aan zijn lijden
komt. Nu beseft hij dat er misschien zoiets als een
eindeloos lijden bestaat.
‘Wat moet ik doen’, vraagt hij.
‘Kijken. Gewoon kijken.’, lacht zijn vrouw.
als jij je ogen
niet eens opent
hoe zie je dan
wat voor je is
Als een film
Opeens staat Varken buiten in een weiland met gras en
bloemen. Er schijnt een zonnetje aan een blauwe hemel en
het is behaaglijk warm. Vlak voor hem speelt een klein
biggetje. Het jaagt achter de vlinders aan, buitelt in het
groene gras, plukt bloemen, het zingt en knort van plezier.
‘Dat ben ik’, zegt Varken opgetogen.
‘Ja’, zegt zijn vrouw, ’en toen kende je me nog niet eens.
Waar komt dan dat vuur vandaan?’
Varken kijkt naar het dollende biggetje.
‘Ach,’ zegt hij weemoedig, ‘dat is het vuur van de jeugd.
Dat gaat voorbij, als je eenmaal getrouwd bent en kinderen
hebt.’
Dan staat varken in een gezellige, warme en lichte
woonkamer, waar een meute biggen ronddolt over de stoelen,
onder de tafel en achter de bank. De deur gaat open en een
grote varkensbeer komt sloffend het huis binnen. Hij hangt
zijn jas op, trekt zijn schoenen uit en laat zich op de
bank ploffen.
Even is het stil in huis.
Dan storten de biggen zich met zijn allen op de arme beer.
‘Jongens...’, probeert hij nog. Maar de overmacht is te
groot.
Opeens valt alle vermoeidheid van zijn gezicht. Hij lacht
en hij slaakt een gevaarlijke indianenkreet. De biggen
stuiven joelend van plezier uit elkaar en de beer rent
achter ze aan. Elk biggetje dat hij vangt wordt
doorgekieteld en krijgt daarna een enorme smakkerd op zijn
voorhoofd.
Varken moet lachen. ‘Ja. Zo moe was ik en in één keer was
het weg. Kijk mij toch blij zijn.’
Zijn vrouw lacht: ‘Waar komt dat vuur toch vandaan?’
Varken kijkt naar de lachende beer.
‘Ach,’ zegt hij weemoedig, ‘dat is het vuur van het jonge
vaderschap. Dat gaat voorbij als de kinderen eenmaal groot
zijn.’
Varken ziet zichzelf op de bank zitten. De t.v. staat aan
en de kamer hangt vol roze slingers en roze ballonnen. Hij
heeft een roze hoed op en een roze toeter in de hand.
Plotseling veert hij op en begint te juichen: ‘Ja, ja,
goooooaaaaal!’
Varken grinnikt. ‘Ach ja, voetbal’.
‘Maar wat een vuur!’, zegt zijn vrouw.
‘Eenmalig. Dat is morgen weer weg’, zegt Varken beslist.
van vuur dat voorbijgaat
van eeuwigheid die eindig is
daarvan wil ik zingen
omdat dat vuur mijn leven is
Dan volgen de scènes elkaar
steeds sneller op. Het lijkt alsof het leven van Varken als
een film voor hem wordt afgespeeld. Hij ziet zichzelf
vooraan lopen in een grote demonstratie tegen het gebruik
van proeven op mensen. Hij ziet zichzelf een vurig betoog
houden tijdens een buurtoverleg, waar hij pleit voor
gastvrijheid van de andere buurtbewoners voor de nieuwe
familie Wilde Zwijn die onlangs in de buurt is komen wonen.
Hij ziet zich zelf schilderen en behangen in het nieuwe
huis van een van zijn kinderen. Hij kijkt ademloos toe hoe
hij zijn vrouw verzorgt tijdens haar langdurige ziekbed,
hoe hij haar elke dag opvrolijkt, met een grapje, een
bloemetje, een verhaaltje of een ommetje in de rolstoel en
hoe zij uiteindelijk vredig in zijn armen sterft.
Varken valt in een onmeetbare donkere diepte. Zijn val
lijkt een eeuwigheid en het duister dreigt hem te
verzwelgen. Dan gloort er licht. Varken is verheugd kijkt
rond om de bron van het licht te vinden. Het duurt een tijd
en dan beseft hij dat hij zelf dit wonderbaarlijke licht
uitstraalt.
‘Vuur,’ roept hij, ‘vuur!’
Overal vuur
Dan is het ochtend geworden.
Hij zit in zijn stoel voor het raam en kijkt naar buiten.
Voor het eerst in vijf jaren ziet hij de zon opkomen.
‘Vuur’, denkt hij.
De buurvrouw zet de melkflessen aan de straat. Varken ziet
hoe zij brandt als een veilig, verwarmend en beschermend
vuur. De puppies buitelen juichend over elkaar naar buiten.
Hij ziet hoe ze branden als kleine uitbundige vlammetjes.
Hij staat op en loopt naar de spiegel. Bij de aanblik van
zijn spiegelbeeld schrikt hij even: hij is een machtig,
verterend vuur geworden. Varken weet: dit is mijn vuur,
mijn levensvuur, alles is vuur, overal is vuur.
Hij wast zich, trekt zijn beste pak aan en gaat op weg.
vuur,
overal vuur
brandend in mijn hart
zon
in mijn leven
waar alles om draait
II Op weg
Zuster Vos
Onderweg ontmoet hij Zuster Vos. Op haar hoofd wakkert een
enthousiaste, niet te doven vlam.
‘Goedemorgen, zuster Vos. En, geniet u ook zo van uw
levensvuur?’
‘Mijn levensvuur?’ Zuster Vos kijkt hem wantrouwend aan,
’Pinkstervuur zul je bedoelen, ongelovig zwijn. Het vuur
van Lam dat voor ons is geslacht!’
Varken glimlacht tegen haar.
‘Wat dan ook, Zuster Vos. In ieder geval het vuur dat in
onze harten brandt, onafhankelijk van wie dan ook, ons
eigen levensvuur, zogezegd. Onafhankelijk van mijn vrouw,
mijn Zeugje, en onafhankelijk van jouw Lam.’
‘Oh, ongelovige!’, roept Zuster Vos, ‘Je zult voor deze
woorden eeuwig branden op de hemelse barbecue.’
Varken lacht en knikt vriendelijk naar de tierende Zuster
Vos.
Vrouwe Kat
‘Dag Vrouwe Kat’, roept hij.
Vrouwe Kat staat voor haar huisje en timmert een nieuw bord
op haar deur.
Vrouwe Kat
gediplomeerd
voor verlichting en vuur
‘Ach, als dat Varken niet is, brandend en verlangend zoals
altijd’.
‘Het vuur brandt, Vrouwe Kat, ik heb het net gevonden’,
roept Varken vanaf de straat. Hij kijkt eens goed en ziet
dat in Vrouwe Kat een smeulend vuur aanwezig is.
‘Ach arm Varken.’, zegt Vrouwe Kat, ‘Ik had je een heel
goedkope cursus kunnen aanbieden om het vuur te vinden. Dat
ga je toch niet op eigen gelegenheid doen?’ Ze schudt haar
hoofd, gaat naar binnen en trekt de deur achter zich dicht.
Wolf
Bij het huis van Wolf, klopt Varken op de deur.
‘Binnen’, klinkt het zacht.
Wolf ligt op bed en kijkt hem vriendelijk aan.
‘Het is op!’, zegt hij. ‘De Hemelse Jager zal me spoedig
komen halen’.
Varken schrikt bij het zien van zijn oude vriend. Wolf is
een vuur dat dooft.
‘Ik heb vuur’, probeert Varken.
Wolf lacht.
‘Ik zie het!’ zegt hij, ‘Goed voor jou, maar ik ben op,
beste vriend. De kaars is bijna uit. Dat zie je toch.’
Varken knikt.
‘Maar...’.
Varken zwijgt.
’Help me maar naar buiten,’ glimlacht Wolf, ‘dan wachten we
samen.’
Varken draagt Wolf voorzichtig naar de schommelstoel die in
de warme zon voor het huisje staat.
Hij knielt bij hem op de grond en pakt voorzichtig een poot
van Wolf. Hij ziet dat het vuur nu ieder moment kan doven.
‘Is het zover?’, vraagt hij.
Wolf knikt en grijnst. ‘Bedankt goede vriend; het ga je
goed! Ik zie de Jager staan. Hij spant zijn boog.’.
Wolf kijkt in de verte, lang, heel lang.
Dan sluit Varken zijn ogen.
de jager spant zijn boog en
een vriend sluit je ogen
wie achterblijft
moet doorgaan
raak mij aan
wek mij tot leven
adem door mij heen
Meester Egel
Meester Egel staat al de hele morgen aan de kant van de weg
op Varken te wachten.
Varken ziet hoe de oude monnik brandt als een uitnodigend
baken bij de haven in de zee van tijd.
‘Zo Varken’, bromt hij vriendelijk, ‘ben je daar
eindelijk?’.
‘Meester,’ fluistert het Varken, ‘Overal vuur!’.
Meester Egel kijkt hem aan.
‘Het is tijd, niet?’
Varken knikt. Hij gaat in het gras zitten en Meester Egel
zet zich naast hem neer.
Varken sluit de ogen en kijkt in zijn hart. Het vuur
brandt. Hij kijkt heel aandachtig en het vuur laait op. Het
vult zijn hele hart, zijn longen en al snel zijn hele
lichaam.
‘Zeugje!’, roept hij boven het loeiende vuur uit.
Varken wandelt met zijn vrouw en Varken is niet meer.
Meester Egel staat op.
‘Waarom voor verlichting gaan als je ook kan branden?’,
giechelt hij. En dan brult hij het uit van het lachen,
totdat de tranen over zijn wangen lopen.
vuur, vuur,
bevrijdend vuur,
smeed de boeien om tot bakens
in de zee van tijd
vuur, vuur,
nodend vuur,
bij de haven, op het strand
vuur, vuur,
machtig, verterend vuur,
brandend verlangend,
verraderlijk smeulend vuur