

Op
het woele-wijde water
door Henk
Harmsen
verteld op 1 december 2002 (Wereld-aidsdag) in het NPB-huis
in Veenendaal
Toen
God na vele aardse omzwervingen weer thuis kwam, stond
Satan al bij de deur op haar te wachten.
‘Waar bleef je nou?’ mopperde hij.
‘Gewoon’, zei God, ‘Ik was bij de kinderen’.
‘De kinderen!’, schamperde Satan, ‘Altijd maar weer die
kinderen. Wanneer kom ik eens aan de beurt?’.
God glimlachte met een glimlach waarbij zelfs Satan moeite
had zijn slechte humeur te behouden.
‘Vroeger’, probeerde hij nog, ‘zonder de kinderen, hadden
we samen een eeuwigheid. En daar hadden we genoeg aan!’ Met
weemoed dacht Satan terug aan hun gelukzalige verbondenheid
van destijds. Daar was een abrupt einde aan gekomen toen
God op het onzalige idee kwam dat ze graag kinderen wilde.
Het gezicht van Satan betrok al weer.
‘Nou hoe gaat het me ze?’, vroeg hij gemaakt vriendelijk,
‘Maken ze elkaar het leven nog steeds zo zuur?’.
Hij kon een lichte grijns niet onderdrukken, want de
kinderen waren zeker geen voorbeeldkinderen. In feite was
de hele schepping die God gebaard had duidelijk een
mislukking. Het ene dier vrat het andere, er waren
natuurrampen, epidemieën en het allerergste waren die
mensen, die God nota bene haar lievelingskinderen noemde.
Wat een narigheid ontstond er in de hoofden van die wezens:
oorlog, onderdrukking, leed, pijn. Satan was alweer even
humeurig als op het moment dat God thuiskwam.
‘Heb je het eten klaar, liefste?’, vroeg God, ‘Ik sterf van
de honger’.
‘Ik heb je lievelingseten gemaakt:’, bromde Satan,’een
heerlijk reukoffer en een brandoffer.
Maar omdat jij zo laat bent, is de hele boel natuurlijk al
lang verpieterd.’ Hij schepte de hemelse spijze op en God
nam die met groot genoegen tot zich.
‘Het is heerlijk, liefste’, zei ze, ‘Daar heb je echt je
best op gedaan’.
‘Dat kun je van die mensen van jou niet zeggen’, pareerde
hij. Tsjakka. Die was raak, dacht Satan. Hard maar
rechtvaardig, het moet maar eens gezegd worden.
God nam de koude hand van Satan in haar warme
handen.
‘Wat weet jij daar nou van, jochie?’, fluisterde ze
liefdevol.
Nee, niet op die manier, dacht Satan. Daar kon hij niet
tegen, dat wist ze. Dit was de manier waarop hij altijd het
gevoel had van haar te verliezen.
‘Het is toch zo’, stotterde hij.
God keek hem liefdevol aan.
‘Ach jochie’, zei ze zacht. Zo zacht dat haar stem uit zijn
hart leek te komen en heel teder al zijn verstijfde
ledematen ontspande.
‘Was jij ooit in een huis, waar net een baby geboren werd?
Heb jij ooit de vreugde, de tranen, de onmetelijke liefde
gevoeld van ouders voor hun hulpeloos kind? Was jij ooit
aanwezig op het moment dat twee mensen elkaar liefde
beloofden? Dat zij elkaar kusten en jij op de golven van
hun vreugde weg kon dobberen: zover als de eeuwigheid?
Mensen zijn zo intens…; zowel in haat als in
liefde.’
God zuchtte. Toen vervolgde zij: ‘Dat hebben ze van jou,
schat. Je weet dat ik dat ook zo fijn vind bij jou.’
Satan kleurde. Wat ongemakkelijk keek hij weg van
God.
‘Maar het is allemaal zo zinloos’, begon hij. ‘Alles is
tijdelijk. Een bloem komt op en vergaat - niemand weet meer
dat ze er ooit is geweest. Een mens wordt geboren, leeft en
sterft - niemand kan zich op den duur nog deze persoon
herinneren. Waarom heb je een schepping gebaard, waarin het
lijden zo’n prominente rol heeft? En waarom laat je die
schepping zo verschrikkelijk alleen?’
God moest lachen. ‘En net vond je nog dat ik te veel tijd
besteedde aan mijn kinderen’.
Zij trok hem mee naar het raam.
‘Kijk nou zelf, liefste’, drong ze aan. Satan keek uit het
raam naar de wereld.
‘Wat zie je?’, vroeg God.
‘Ik zie een oma, die zich huilend over haar stervend kind
uitstrekt.’
‘Wat zie je nog meer?’
‘Ik zie twee kinderen die stil bij het bed van hun
stervende moeder zitten.’
‘Kijk nog eens goed’, drong God aan.
Met weerzin keek Satan nog een keer. Hij vond het
verschrikkelijk. Wat haatte hij die rot ziektes, en wat
haatte hij vooral AIDS.
Plotsklaps herkende hij de stervende moeder: het was
God.
Hij keek en zag hoe ze liefdevol de handen van haar
kinderen nam.
Hij hoorde haar zingen en neuriën:
op
het woele-
wijde water
aan de over-
zijde van de zee
op de golven
in de branding
zie ik jou terug
Hij keek naar de twee hulpeloze kinderen en herkende ook
daarin zijn geliefde. Hij keek naar het grote kapotgeslagen
Afrika, luisterde naar de paradijselijke vogels, voelde de
warme aarde. Het was allemaal God. Zijn geliefde had niet
alleen haar schepping gebaard, ze was zelf deel van die
schepping geworden. Er was niets waarin God niet aanwezig
was. Op de hoogste berg, in het diepste dal, ja overal was
God.
Hij nam God in zijn armen en drukte haar dicht tegen zich
aan.
Lang.
Misschien wel een eeuwigheid.
‘Ga jij maar lekker uitrusten’, zei hij toen, ‘ik doe de
afwas wel’.